|
Als na de regen onverwacht de wolken breken stroomt de zon in vrije val waar ongefilterd fel op rimpelvelden in het water schitterend in golven tegenlicht het zwart en wit waarin een zwaluw dicht langs opspattende vonken scheert. Voeten in het natte gras staan druipend zware bomen onbeweeglijk op te warmen bij te komen adem in een dampslier wacht op wind. Teun Klumpers uit: Het vijfde seizoen
|
|
Vandaag hing de herfst al in de lucht
de zwaluw vloog net iets vermoeider
de berk liet langzaam, met een zucht
een blaadje los, niets groeit er
strekt begerig naar het licht
de top bereikt, het dal in zicht
nog juli pas maar onomkeerbaar
is de koersnaald omgericht. Teun Klumpers Leidse Hout, juli 2005
|
|
 Ha, sneeuw! Ik raak er nog steeds opgewonden van. Een depressie die over het land trekt met sneeuw, sneeuw die blijft liggen! Wel 7 centimeter op sommige plaatsen. Meteen zijn er idioten die een verkeersalarm afkondigen. Alsof alles om het verkeer draait. Weg met die gasten. Sneeuw, geweldig. Zondagavond meldde de televisie dat tussen Weert en Eindhoven een file van 17 kilometer stond – helemaal ingesneeuwd, geen auto die nog een kant op kon. Ik wilde er onmiddellijk heen. Maar helaas, dat mocht niet. In plaats daarvan werd ik maandagochtend wakker in een grijze, kille stad. Hier en daar lag een dun laagje sneeuw op de autodaken. Het stelde niets voor. Zo is het nu altijd op maandagochtend. De stad stelt dan teleur. Ik weet niet hoe dat komt. Waar was wel sneeuw? Op de Veluwe, en in Limburg. Op naar de Veluwe, want tegen de tijd dat ik in Limburg aankwam, kon daar de sneeuw weleens gesmolten zijn. Tegelijkertijd herinnerde ik met ooit wakker te zijn geworden in een hotel aan het Onze Lieve Vrouweplein in Maastricht. Ik opende de gordijnen en een witte wereld knalde me tegemoet. Even later brandde ik in de kerk een kaarsje voor Gerard Reve, die leefde toen nog. Een mooie herinnering. Inmiddels was ik op de A1. Naarmate ik dichter bij Amersfoort kwam, begonnen de weilanden witter te kleuren. Amersfoort, ik heb wel vaker het idee gehad dat het echte Nederland pas daar begint. Qua sneeuwgrens klopte het deze keer in ieder geval. Goed. Ik nam bij Hoevelaken de A28 en verliet bij Harderwijk de snelweg, richting Garderen. Ik zat meteen midden in de bossen, en overal lag sneeuw. Niet zo’n beetje ook – heel dikke takken waren onder de last bezweken en afgebroken. Ik kwam langs een verzakte, oude uitspanning die De Bosrand heette. Er kringelde rook uit de schoorsteen, zoals dat hoort op een besneeuwde dag. Ik begon al aan de jachtverhalen van Toergenjev te denken. Er stonden behoorlijk wat auto’s op het parkeerterrein, anders was ik gestopt voor warme chocolademelk. Maar al die auto’s hadden de sneeuw tot bagger gereden en het hele doel van mijn expeditie was een paar voetstappen in maagdelijke sneeuw te zetten, van die krakende, verende echte sneeuwpassen. Ik kwam langs de Ermelose Heide en daarna het Speulderveld. De zon brak door de wolken heen. Een grootvader in een bruine houtje-touwtjejas was er met zijn kleinkind en een slee op uit, in een weiland stonden twee paarden te dampen. Zover het oog reikte, was alles wit. Op goed geluk sloeg ik ergens een pad in. Er was nog niemand geweest hier. Ik zag geen voetstappen, geen bandensporen. Ik stopte toen ik bij een hek kwam. Diep ademhalen. Terwijl ik dat deed, viel er een grote klont sneeuw op de motorkap. Ik was nog steeds niet uitgestapt. Plezier moet je uitstellen. Meteen als een idioot over de hei hollen, kan iedereen. Ik liet het onvermijdelijke moment dichterbij komen. Toen opende ik de deur en zwaaide ik het linkerbeen naar buiten. Ik had al bijna spijt van mijn voornemen. Het andere been volgde en ik stond buiten. Ik sloot de auto af. Weer haalde ik diep adem. Had ik dat daarnet maar niet gedaan. Wat ik nu aan lucht binnenkreeg, was van een dronken makende helderheid. Ik zette mijn eerste voetstap. Ach, hoe schitterend kraakte en knerpte de sneeuw onder mijn schoen. Nog een stap, en nog mooier was het geluid, lieflijk, maar ook stoer. Een geluid uit duizenden. Ik begon te lopen, duizelig van stom geluk.
Martin Bril Volkskrant, 3 december 2008
|
|

Sommige dingen zijn verdomd moeilijk onder de knie te krijgen. Zo ben ik al jaren bezig met de kleur blauw, meer in het bijzonder: het blauw dat de hemel kleurt. Hoe omschrijf je dat? Of kun je volstaan met de mededeling 'de lucht was blauw'? Dat vind ik eerlijk gezegd te weinig.
Er moet over een blauwe lucht meer te zeggen zijn, zeker over dat herfstige blauw van gisteren. Minstens zo intrigerend, en misschien nog wel moeilijker: het geluid van een stuiterende tennisbal. En dan niet een bal die heen en weer wordt geslagen, maar een bal die vanuit een hand op en neer op de grond valt - is vallen wel het juiste woord in dit verband? Hoe dan ook: er kan iets dreigends van dat geluid uitgaan, een zekere macht. Ik heb nog wel meer van dit soort problemen die me al jaren achtervolgen. De geur van gras, gebakken spek, vrouwenzweet. Omschrijf het maar eens in zijn kloppende volledigheid. Als me dat lukt, ben ik enorme sprongen verder. En al die tijd bestaat het risico dat je iemand leest die er wel al in is geslaagd.
De blauwe lucht bijvoorbeeld; ineens kwam ik die gisteren tegen bij Robert Penn Warren: 'It was the brilliant, high, windless sky of early autumn. The blue was paler than the blue of summer, but not leached out, still positive, and drenched in sunlight as though treated with a wash which was transparent but full of minute gold flecks. If you stared very long, the sky seemed to be pricked with those tiny flecks of gold, which winked and glittered.' Precies zo was het.
Een erg goede schrijver overigens, die Penn Warren. Hij heeft een klassieke roman op zijn naam staan die momenteel in een mooie Penguin-editie in de winkel ligt: All the King's Men, het huiveringwekkende verhaal van een idealist die in de Amerikaanse politiek probeert te slagen, maar uiteraard jammerlijk faalt en dan zijn toevlucht zoekt tot corruptie en charisma. Echt een boek om nu te lezen. Maar goed.
Blauwe luchten - in Penn Warren heb ik mijn meerdere gevonden. Nu nog iets anders dan de kleur; die ijle, maar ook heldere tinteling die op de een of andere manier bij de herfstlucht hoort. De manier waarop geluiden worden voortgedragen; héél anders dan in de zomer, of in de winter. Zojuist laat mjn vrouw in de tuin (de ramen staan open) een spijker uit haar hand laten vallen, en als ik niet wist dat het oktober was zou ik aan het korte gerinkel waarmee hij de grond raakt, durven zweren dat het herfst was. Je hoort het aan het geluid.
Ik mag graag mijn tijd verdoen met het nadeneken voer dit soort kleine sensaties. Ze vertellen me meer dan het nieuws, eerlijk gezegd. Daarin klonk de laatste weken maar één woord: vertrouwen. Vertrouwen in banken en financiële instellingen, vertrouwen in de beurs, in de economie. Vertrouwen dat er niet meer was, vertrouwen dat terug moest keren. Eind vorige week hoorde ik op de radio zelfs een vrouw beweren dat Balkenende had gezegd dat de mensen het vertrouwen in de wereld hebben opgegeven. Dagenlang heb ik alle nieuwsuitzendingen gevolgd om hem die soundbite zélf te horen uitspreken, maar helaas, pindakaas. Misschien dat ik me die vrouwenstem heb verbeeld, ja, dat zal het zijn. Vertrouwen.
Geef me die wolken maar die langzaam binnenrollen, het zachte gestommel in de verte en de geur van lakens aan de waslijn. Martin Bril Volkskrant 15 oktober 2008
|
|
|